TOEMAARDICHTMAAR

Het binnenste


Hier ben je.

Jaag op je dromen, het zijn wilde dieren die ontsnappen als de zon opkomt. Bestudeer hun gedrag, hun drinkplaatsen in je geheugen. Volg de onlogische beelden als voetafdrukken in de modder van je geest. Zet vallen in je gedachten. Lok ze met je angsten en verlangens. Een droom die je niet vangt en ontleedt, zal sterker worden dan jij en je aanvallen wanneer je het niet verwacht. 

Sla je tent op waar je een goed uitzicht hebt. Luister naar de rivier beneden, het ruisen van de wind tegen de helling. Maak vuur en vijl je speer bij dageraad met een zachte steen. De scherpte van je speerpunt is eindig, maar niet die van je instinct, het deel van je brein waarmee je wilde dieren vangt. Wet elke dag opnieuw je instinct om dromen te vangen en ze de werkelijkheid in te dwingen.

Hier ben je.

Er zijn er ook die niet jagen, maar roven. Ze organiseren zich in groepen, omdat ze geloven in wilde dieren die sterker zijn dan zichzelf. Deze rovers zwerven rond en vertellen elkaar verhalen over monsters. Voer hun taken niet uit, maar maak ze onmiddellijk af. Wurg ze in hun wieg, voordat ze een eigen wil ontwikkelen en je ‘s nachts aankijken vanuit het donker. Stel ze niet uit, ze vormen nesten die broeden in de hoeken van je geest. Laat ze liggen, en ze veranderen in de monsters waar ze over spreken. 

Het is niet je werk om takken te vlechten voor de afrastering van je kamp. Ze krijgen puntige doornen en prikken door het doek van je tent. Het is niet je werk om mooie dingen te bewaren. De glanzende dekschilden van dode torren die je verzamelt in een pot beginnen tegen elkaar te tikken. Ze klikken in elkaar en vormen een pantser dat tegen het aardewerk aanschuurt. Zachtjes kreunt het monster in zijn grot.

Hier ben je.

De dag is rot, pluk hem voordat zijn wortels verschrompelen. Bijt in zijn witte kelken, zuig het vocht eruit. Wat je maag niet verteert, voedt je schaduw. Mest haar vet. Maak ruimte voor de woekerende nacht, fris en vol met stromend sap. Vlak voor het ontwaken vind je een beest dat met een poot verstrikt zit in een plant. Een stengel schiet uit de grond en kleine harige wortels klampen zich aan je lichaam. Ze kronkelen over de speer die je in je hand houdt. Je handen zijn gebonden, maar met je instinct werp je hem tussen de horens. Het beest valt op de grond, en als je ontwaakt, zijn je handen vrij om te villen.

Geluk heeft een slecht geheugen. De geur van ontbinding lokt de rovers naar je tent. Laat ze kijken en bewonderen, maar hou ze op speerlengte afstand van je prooi. Dit lichaam is van jou, maar tijd kiest de kant van de verliezer. Hoe langer ze blijven, hoe meer ze zichzelf ervan overtuigen dat het ook hun lichaam is. Wees dus snel. Ruk het lint uit het binnenste en het vlees van het bot. Houd je schuil in het geraamte van het beest, van je droom. Hier ben je veilig.