TOEMAARDICHTMAAR
- 16 microfictieverhalen
- De Cilinder
- Enkele aanzetten tot communicatie
- De glitterplaneet
- Revolte
- Cirkeldier Daniël
- Hoe ik vanmiddag mijn tong verbrandde
- Herkenningspunt
- De pieptest
- De cirkelzaag
- Gesticht
- Etiquette van de waanzin
- Zeepsop
- Het eb en blues van de vloed
- De bevolking van het Noorden
- Het gevoel van iets te zijn vergeten
- Kipnugget
- Het observatiecentrum
- Puppy
- De eenpersoonsbar
- Het binnenste
De eenpersoonsbar
I
Een man in een trenchcoat komt binnen, zet zich aan de toog en bestelt een pint. Drinkt hem leeg. Bestelt een nieuwe. Ik ken dit café nog van vroeger, zegt hij. Toen was het altijd druk, maar nu is het rustig. Altijd op dinsdag, antwoordt de barman. De man vraagt of hij drukte mist. De barman denkt na. Soms wel, maar meestal niet. Je praat met niemand echt. De man knikt. De barman veegt de toog af. Soms blijft er iemand zitten en dan heb je een echt gesprek. Dat is fijn, daarom doe ik dit, denk ik. De man vraagt hoe vaak dat gebeurt. Hij stopt met vegen. Niet vaak. De man kijkt op, zijn ogen licht toegeknepen. En de rest van de tijd? Hij legt de doek neer. Wachten, denk ik.
Na een korte stilte vraagt de man wat er gebeurt als die gesprekken niet meer komen. De barman kijkt verbaasd. Hoe bedoel je? Stel, zegt de man, je staat hier nog dertig jaar, en die gesprekken komen niet meer, of nog maar één keer, was al dat wachten dan de moeite waard? De barman geeft geen antwoord. Sorry, zegt de man, dat was een rare vraag. Hij frunnikt aan een viltje. Nee, zegt hij, ik denk er alleen over na.
Na een tijdje vraagt de barman wat voor werk hij doet. Administratie, kantoorwerk. Of het bevalt? Het went, zegt hij, terwijl hij over zijn kalende hoofd wrijft. De barman schenkt bij zonder te vragen. ‘Ik fantaseer soms dat ik iets anders doe, ‘ zegt hij. ‘Dat ik een spion ben. Als ik mijn badge gebruik en niemand kijkt, dan voel ik me een geheim agent.’ Hij lacht kort. ‘En niemand daar weet dat je met de kantoorprinter nog steeds faxen kan versturen.’ ‘Naar wie fax je dan?’ ‘Naar het thuisfront, naar mijn zoon. Hij stuurt er soms één terug. Vroeger vaker. Na het lezen haal ik het papier door de shredder.’
Pas als de gast hem erop wijst, merkt de barman dat het sluitingstijd is. Hij had niet gezien hoe de andere gasten één voor één waren vertrokken. ‘Hoe heet je eigenlijk?’ vraagt de barman. ‘Karel’, zegt hij. Ze schudden elkaar de hand. Terwijl de barman de stoelen op de tafels zet, zindert het gesprek na. Dertig jaar wachten is geen optie.
In de dagen erna richt hij zijn aandacht bewust op gasten die alleen aan de toog zitten, in de hoop het scenario te herhalen. Aan een vrouw met een boek vraagt hij wat ze leest. Hij luistert naar haar verhaal, noteert de titel in een schriftje. Een jongen met een koptelefoon werkt op zijn laptop. Hij wacht tot hij opkijkt, vraagt wat hij doet. De jongen vertelt dat hij kunstgeschiedenis studeert en een scriptie schrijft over het Prerafaëlitische Broederschap. Andere gasten klagen over slechte bediening of kruipen weg in hun scherm. Echte gesprekken, besluit de barman, gebeuren alleen één-op-één.
Hij sluit de tent voor een verbouwing. Zijn nieuwe toog plaatst hij zo dicht bij de straatkant, dat er net genoeg plek is voor één gast. Tijdens de eerste weken na de opening staat er een rij tot om de hoek. Je kan er kiezen uit een drankkaart, maar je kan de barman ook een persoonlijke cocktail voor je laten maken. Iedereen wil het café bezoeken. De meesten blijven voor één drankje, doen een korte babbel met de barman, en zijn weer weg.
II
Zodra de nieuwigheid eraf is, verandert het publiek. De gasten weten zich geen houding te geven: moeten ze praten? Mogen ze zwijgen? Om zijn gasten tegemoet te komen, zet de barman een zandloper neer en hij prikt een speldje op zijn shirt waarop te zien is hoe hij zich die dag voelt en hoe sociaal hij zelf is. Aan de muur achter de bar hangt hij een bord met de tekst ‘Er zijn geen regels’.
Op sommige dagen ontvangt hij profiteurs die kraanwater vragen en de bar gebruiken als warme plek om te telefoneren, of zelfs om een dutje te doen. Op andere dagen ontvangt hij mensen die behoefte hebben aan een babbel, soms zijn ze dakloos. Op weer andere dagen komen er nieuwsgierige toeristen. De intenties van zijn gasten zijn niet altijd even sympathiek, maar de barman maakt geen moreel onderscheid.
Als het rustig is, wordt de deur een scherm. Mensen passeren. Een vrouw met boodschappen, een fietser die afstapt voor rood licht, een man die zijn telefoon checkt. Een plastic zak kleeft tegen de ruit, waait los. Auto’s ronken, verminderen vaart voor de verkeersdrempel en trekken op als ze er voorbij zijn. Bij storm roffelen platgetrapte blikjes over de tegels, metalig en hol. De geluiden trekken voorbij. Zijn gesprekken met mensen ook. Een gast vertelt over zijn jeugd, een ander over een scheiding, weer een ander zwijgt alleen maar. Ze komen, ze gaan.
Een vrouw schuift op de kruk en legt haar handen om de koffiemok alsof ze die wil warmen, hoewel het buiten niet koud is. Ze heeft een accent dat hij niet meteen kan plaatsen. Berlijn, zegt ze, als hij ernaar vraagt. Ze draait de zandloper om zonder te vragen of het moet. Hij vraagt wat ze daar doet. Design, zegt ze, en ze maakt een gebaar met haar hand dat niets verduidelijkt maar dat hij toch begrijpt. De zandloper loopt leeg. Ze kijkt ernaar, dan naar hem. Ik heb nog tijd, zegt ze, en ze vertelt over haar leven daar, de taal, de toeristen, en hoe de mensen daar anders met elkaar praten. Daar vraagt niemand hoe het met je gaat als ze het antwoord niet willen horen, zegt ze. Hij lacht.
En toch knaagt er iets. Zijn gesprekken zijn vluchtig. Hij wil ze bewaren. Delen. Dat anderen voelen wat hij voelt als iemand blijft zitten. Hoe tijd verdwijnt. Daarom bouwt hij in de grote overgebleven ruimte achter de bar een cinemazaal. Het scherm verbindt hij met een camera die achter hem in het café hangt. Mensen kunnen zo elke dag live volgen wat hij meemaakt.
De cinema krijgt een eigen bar, een replica van de oude situatie. Gasten mogen elkaar bedienen. Als anderen doen wat hij doet, hoopt hij dat ze het voelen, hoe het is om daar te staan. Op een middag tijdens de verbouwing gaat hij er zelf staan. Hij leunt op de toog en kijkt naar de stoelen voor hem. Het voelt anders, maar het voelt goed. In een hoek bouwt hij een tentoonstelling over de geschiedenis van de plek. Er zijn oude foto’s te zien, en je kan er met een koptelefoon luisteren naar zijn reconstructie van dat ene, inspirerende gesprek met Karel, het moment waar alles uit voortkwam.
III
Op een dag bezoekt net die man de eenpersoonsbar. Karel ziet er nog hetzelfde uit, dezelfde jas, dezelfde terugwijkende haargrens. Het wijzertje op de broche van de barman geeft aan dat hij moe is, maar als de barman hem herkent, vertelt hij enthousiast waar hun gesprek die dag toe heeft geleid, over het nieuwe café en de cinemazaal. Karel knikt minzaam en kijkt op de drankkaart. De barman haalt de kaart uit zijn hand en zegt: ik zal iets voor je maken, van het huis. Terwijl hij bezig is met het meten en mixen van verschillende drankjes, kijkt Karel rond. Zijn blik blijft hangen bij de camera die op hem is gericht. Hij zwaait lachend en drinkt zijn cocktail op.
De barman leunt voorover en vraagt of hij zich het gesprek nog herinnert. Karel antwoordt bevestigend. De barman wacht, maar Karel zegt verder niets. De barman knikt, zijn schouders zakken iets. Zijn gast kijkt naar de camera, de zandloper, het lege glas. De barman vraagt of hij er nog één wil. Karel schudt zijn hoofd en staat op, dankt hem voor het drankje. Neem gerust een kijkje in de cinemazaal, zegt de barman, en wijst naar de deur. Karel plooit zijn jas over zijn arm, en loopt erheen.
Zijn ogen moeten wennen aan het donker. In de zaal zitten drie mensen. Eén van hen knikt naar hem. Hij neemt plaats op een stoel achterin. Op het scherm ziet hij de bar, nu van de andere kant. De barman leunt op de toog, tegenover hem de lege stoel. In het glas van de ramen weerkaatst het rode lampje van de camera. Een man met een getatoeëerde hals komt binnen en neemt plaats. ‘Ik wilde dit al lang eens zien’, zegt de nieuwe bezoeker. ‘Knap gedaan’. De barman geeft hem de kaart. Karel blijft een tijdje naar het tweetal kijken, maar het voelt ongemakkelijk. Niet vanwege het gesprek tussen hen, maar omdat de plek waar hij net zelf zat een heel andere plek lijkt te zijn geworden.
Net als de man met de tatoeage is hij hier uit nieuwsgierigheid; hij wil met eigen ogen zien wat de aantrekkingskracht hiervan is. De barman wijst zijn nieuwe bezoeker naar de deur van de cinemazaal. Het is dezelfde routine, hetzelfde gebaar. Plots voelt Karel verwantschap met die man en de andere toeschouwers in de zaal. Ze zijn allemaal schakels, een deel van een ketting. De man die straks de zaal komt binnenlopen is de volgende. Daarna komt er weer iemand. En daarna nog één. Zijn eigen bezoek was slechts een moment in een stroom van momenten.
De stroom brengt hem naar de reconstructie van het oude café. Karel neemt plaats achter de bar. Er zitten voornamelijk toeristen. Een vrouw aan de toog heeft dezelfde bril als iemand op zijn werk. Hij vertelt haar trots dat hij de inspiratiebron is geweest voor de plek. Ze kijkt hem met grote ogen aan en vraagt of hij samen met haar en haar vrienden op de foto wil. Ze heffen allemaal hun glas.
Dan ziet Karel de installatie in de hoek. Hij zet de koptelefoon op en hoort een stem die de zijne moet voorstellen, maar de dialoog is anders dan in zijn herinnering. Hij bedenkt zich dat dat verschil ervoor heeft gezorgd dat de barman levensbepalende keuzes heeft gemaakt, en hij niet. Intussen ziet hij hoe de man met tatoeage uit de cinemazaal komt en zijn plaats achter de bar overneemt. Hij praat met de vrouw met de bril.
Karel denkt plots aan zijn zoon, aan de faxen die hij kreeg. De kleine berichten tussen het werk achter zijn computer door. Hij had kunnen bellen. Kunnen zeggen: kom, we gaan. Maar hij voerde zijn berichten aan de shredder. Het papier gleed in één soepele beweging door de machine en het knisperende geluid verdween in het gewemel van andere kantoorgeluiden. Hij zet de koptelefoon af.
Hij ziet een deur met ‘gift shop’ erop en gaat naar binnen. Het is een kleine ruimte. In een draairek staan tientallen identieke ansichtkaarten van de eenpersoonsbar. De foto is een close-up van de toog die het beeld als een horizontale balk in twee delen splitst. De barman staat kaarsrecht en kijkt naar de lege stoel voor hem. Aan de zijkant staat de zandloper. Hij wacht, nog steeds. Karel duwt het rekje zachtjes aan, ziet steeds dezelfde afbeelding voorbijkomen. Hij koopt niets en stapt naar buiten, de avond in.
Achter hem roept een vrouw. Hij draait zich om. Het is de toerist met de bril. Ze heeft gerend. Ze vraagt of hij iets met haar wil drinken. Aan de gevel boven hen knippert en sist een fel neon reclamebord. Haar gezicht baadt in een groene gloed. Dan springt het naar rood, waardoor ze lijkt te blozen. Ze lacht erom. Graag, zegt hij. Ik weet een leuke bar.