TOEMAARDICHTMAAR

De hallucinatoire getuigenissen van Orpheus

 

‘Ik zal scheppen wat me overkomen is.’
– De passie volgens G.H. – Clarice Lispector

 

‘Het initiële denken, het warrige denken, is altijd boeiender dan de uiteindelijke exorcisering ervan.’

– Dagboek van een dichter – Leonard Nolens

*

 

  1. Kirkaia

 

Nog niemand heeft dit pad bewandeld. Met één hand duw ik een met dooiermos bedekte tak voor me uit de weg, terwijl ik met mijn andere mijn lier ter bescherming tegen mijn heup duw. Achter een grote hagedoorn ligt een meer dat ik niet eerder heb gezien. Een arend vlucht weg tussen de kale takken van de oude eiken als ik richting het water loop. Aan de rand van het meer ligt een grote rat op zijn rug. Zijn tong steekt uit zijn bek. Ik hurk ernaast en fluister ertegen, maar het kleine dier blijft onbeweeglijk liggen. Een vloeistof loopt uit zijn achterste, een kleur tussen jade en olijf, met een iriserende waas. Ik blijf kijken tot de aarde het meeste heeft geabsorbeerd, dan laat ik de rat aan zijn lot over, dood of levend, en loop verder. 

 Elk jaar woekeren de doornige struiken verder. In de winter biedt het woud toegang tot paden die onvindbaar worden zodra het gebladerte begint toe te nemen. De drassige bodem zuigt bij elke stap mijn voeten in de modder. Het verhindert sommige roofdieren om een drachtige hinde te verrassen in een sprint. De leeuwen zijn nu aangewezen op elkaar om in leven te blijven, waarbij enkele leeuwinnen hun prooi opjagen in de richting van anderen die in hinderlaag liggen. 

 

Ik ga zitten op een rotsblok aan het meer, nestel de lier op mijn schoot, buig mij voorover en draai aan de stempennen terwijl ik de snaren aansla. In de verte hoor ik het bedrijvige gegons van mannenstemmen in de haven, waar voor het eerst na de winterstormen opnieuw boomstammen worden verscheept.
  De gesprekken in de stad gaan niet meer over de pijn die scheurbuik met zich meebrengt of het verlies van een baby of moeder, maar over welke boer wiens ploegos mag gebruiken, hoeveel ijzer er nog is voor nieuwe ploegscharen en welk graan het meest geschikt is als zaaigoed. Het overlijden van de timmerman werd door de dodentellende genezer genoteerd op zijn wastablet voor zijn rapport aan mijn vader, maar vormt verder geen onderwerp van gesprek. 

 

Net als ik wil beginnen zingen, hoor ik water klotsen. Uit het meer komt een nimf aanlopen. Haar zwarte, natte haar plakt aan haar blote hals en schouders. Van alle nimfen zie ik het liefst de nimfen van de wateren, al is het maar omdat ze zo mysterieus en dramatisch voor je kunnen verschijnen. Een nimf van de bergen hoor je al van ver aankomen, en ze merken je vaak niet eens op, omdat ze zo in de ban zijn van een berggeit of andere prooi. Bovendien zitten hun handen vol eelt, en hun lichamen vol met littekens en schaafplekken die ze oplopen door hun ruwe levensstijl. De slanke, witte bosnimfen in hun hutten zijn weliswaar begeerlijk, hun grote felle ogen maken me verlegen, maar de gepolijste rondingen en brede, zachte heupen van een Nereïde, of, in dit geval, een Naiade, maken meer los in mijn lichaam dan ik kan bedwingen.

  ‘Wees stil,’ sist ze als ze voor me staat. ‘Je gepingel werkt op onze zenuwen. We voeren een ritueel uit voor Persephone.’ Ze gebaart achter zich, waar ik een krans van waterlelies en riet op het water zie drijven. De andere nimfen wachten vermoedelijk onder het oppervlak tot ze terug is.

  ‘Ik ben Orpheus’, zeg ik, in de hoop dat mijn naam enig gewicht met zich draagt, ‘zoon van Calliope, één van de muzen.’
  ‘Al was je een gedaante van Zeus of een ezeldrijver, je lawaai verstoort een heilige dans. Wees stil nu.’
  Ik kijk naar de druppels water die aan haar wimpers hangen. Ik stel me voor hoe ze met haar zussen onder water beweegt, trager dan op het land, gelijkmatig als een school vissen. Ze gebruiken kranswier als linten. Met hun voeten woelen ze stof op dat als mist om hen heen wervelt, gouden stofwolken in het gefilterde zonlicht, tijdelijke mandala’s van opwervelend zand die weer neerdalen als hun dans voorbij is.

  ‘Anders wat?’
  ‘Anders kom ik die valse harp zelf je olympische endeldarm inbrengen’, zegt ze terwijl ze haar ogen samenknijpt.
Ze strekt haar arm voor zich uit en maakt een gebaar met haar vingers dat lijkt op het opentrekken van een geldbeurs. Tegelijk tuit ze haar lippen en spert ze haar mond steeds verder open als een vis. Ik kijk van haar mond naar de sierlijke rondingen aan het uiteinde van mijn lier. Ze komt van andere goden.
  Ik pulk aan een snaar en denk aan de talloze ruzies tussen de argonauten, hoe ik me afzijdig hield van hun triviale twisten. Door me te concentreren op mijn akkoorden bleef ik bij zinnen in de spelonken waar de Kentaur leeft en leidde ik hen af van hun armhartige obsessies met de gouden ramsvacht. Ik weet nog hoe de Kentaur zijn hoeven beukte op de stenen vloer, omdat hij mijn lied over het ontstaan van de goden en de vele stammen van mensen zo verbazingwekkend vond.
  Ik neem mijn lier en speel, vergeet dat de nimf het mij net heeftad verboden. De melodie die uit mijn vingers komt, verrast me, alsof haar aanwezigheid nieuwe snaren heeft toegevoegd aan mijn instrument. Na de eerste strofe durf ik haar weer aan te kijken. Haar mond staat nog steeds half open, maar de lijnen in haar gezicht en de blik in haar ogen zijn ontspannen, zachter.
  ‘Je vergist je, nimf’, zeg ik. ‘Het is niet Persephone die je nodig hebt. Laten we samen op haar wachten en hopen dat er dadelijk nog sneeuw valt. Ik zal Hermes vragen om ons de mooiste gezamenlijke droom te bezorgen, zodat hij zijn handen vol heeft aan ons voordat hij haar naar boven brengt. Laten we samen wakker worden. Ik zal voor je spelen.’
  ‘Heb je die kunst van je moeder geleerd?’ vraagt ze. Haar toon blijft spottend.
  ‘Calliope was vaak afwezig toen ik kind was, want ze werd steeds door kunstenaars aangeroepen. Ze was uitgeput als ze thuis kwam. Het spijt me alvast, maar muzen moeten hard werken. Hier -’ Ik haal een buidel tevoorschijn. ‘Gemalen kirkaia, genoeg voor ons en de nimfen die op je wachten.’
  ‘Mijn zuster waarschuwde me voor mannengeschenken,’ zegt ze. ‘Zij zei dat jullie altijd iets terug verwachten.’ Aarzelend neemt ze de buidel in ontvangst en brengt de anderen naar de oever.
  ‘Ik ben Eurydice,’ zegt ze, ‘en dit zijn mijn zusters.’
Hun verschijning maakt mijn bloed warm. Ze deelt het goedje uit. Het poeder zwelt op onze tongen tot een taaie, aardse prop waar we op kauwen als een kudde koeien. De smaak is scherp en bitter. Ik merk hoe belachelijk we eruitzien, onze kaken malend, onze ogen glazig. Maar het kan me niet schelen – dit is het offer dat ik breng voor haar.
  Dan treedt de werking in. We zien dingen die er niet zijn en de hallucinatie van de één beïnvloedt die van de ander. Ik speel en we dansen. Eurydice’s hand rust tegen mijn borst, verkent de stof van mijn tuniek. Ik zie hoe de bomen ademen, hun bladeren veranderen in een zwerm iriserende kevers. Ik tokkel het ritme van hun vleugelslag op mijn lier. De wortels van de eiken kronkelen als slangen over de aarde en de anderen deinzen lachend achteruit, hun voeten optillend alsof ze door ondiep water waden. Maar Eurydice niet, de krioelende wortels lijken haar bewegingen te volgen, alsof het haar onderdanen zijn. Het oppervlak van het water waar normaal gezien de enige beweging voortkomt uit een drijvende tak of kroos dat door de wind wordt meegevoerd, begint te golven en miljarden luchtbellen springen open, sissend als een slang.

  ‘Jouw liedjes hebben tanden,’ fluistert ze. 

Haar blik voelt als mos, zacht aan de oppervlakte, maar geworteld in iets ouds en aards. 

Haar groene irissen zijn dooraderd met spikkels oker en bruin, als een rivierbodem waar de zon op schijnt. 

Ze trekt mijn hoofd naar zich toe en kust me. 

De kus is een botsing. 

Haar lippen zijn zacht, maar ook dwingend, en een beetje droog van het poeder. 

Ik proef de bittere aarde, haar speeksel, het zout van haar huid. 

Ze legt haar handen in mijn nek, haar vingernagels prikken als kleine doornen in mijn huid. 

Ik voel het gewicht van haar lichaam tegen het mijne. 

Mijn vingers glijden van de snaren. 

De lier slaat met een doffe bons tegen mijn heup. 

Voor het eerst sinds de dans begon, is er alleen het geluid van haar adem dicht bij mijn oor en het bonzen van mijn eigen kokende bloed. 

Haar huid voelt zacht onder mijn vingertoppen. 

 

De kracht van het kruid taant. We spugen de bittere resten op de grond, onze tanden donker gekleurd door het sap, de smaak van aarde nog op onze lippen. We kijken elkaar aan, onze ogen wijd en vol. Hier onder de bomen zweren we er een jaarlijks ritueel van te maken. De andere nimfen keren terug in het water, sommigen verspreiden zich in het bos. Eurydice’s hand blijft in de mijne.

 

De nacht daalt over ons neer, en de windvlagen die door de bomen jagen zijn koud, maar ze voelen meer van ons dan de lentebloesems die we te danken hebben aan de Koningin van de onderwereld. We liggen in bed, allebei wakker. Buiten klatert de fontein in de tuin en ik hoor een klein dier op de natte vloer onder het afdak huppen. Haar hoofd ligt in mijn hals. Haar adem is nog scherp van het kruid, maar ruikt en toch ruikt het aangenaam. Haar hartslag duwt tegen mijn ribben. We hebben een nacht gedeeld. Tot materie nam ik haar droom. We zwijgen en ik voel nog geen drang om onze stilte op te vullen, geen drang om muziek te maken. Ik ken de namen van haar zusters niet, en zij heeft nog nooit mijn vrienden ontmoet. Onze wereld begint en eindigt hier, tussen deze muren.
  Boven ons hangt een bundeltje gedroogde rozemarijn aan een lint, bevestigd met een spijker aan één van de eikenhouten balken van het plafond. De frisse geur die het enkele weken geleden nog verspreidde, heeft plaatsgemaakt voor aardse ondertonen. Aan de wand hangt naast mijn lier, gemaakt van het schild van een schildpad, een kostbaar pantervel dat Dionysus mij gaf als gastgeschenk. Hoe kostbaar het ook is, het is waardeloos in vergelijking met de gouden ramsvacht. Misschien dat Medea het nu heeft. Hier zit een gedicht in, denk ik. Maar ik wil dat er géén gedicht in zit. Ik wil gewoon naar de rozemarijn kijken zonder dat hij een metafoor wordt voor vergankelijkheid. Ik wil naar mijn lier kijken zonder dat hij een symbool wordt voor onze liefde. Ik wil dat de schildpad gewoon een schildpad blijft, die ooit in de zon lag en nu dood is. 

‘Waar denk je aan?’ vraagt Eurydice zacht.

‘Over hoe niet alles poëzie hoeft te zijn. Dood is dood.’ 

De woorden komen stroperig als de nacht zelf, die gevuld is met mysterie, niet bedoeld om te doorgronden. 

Ochtenden zijn gewelddadig, want ze splijten ons in stukken. 

Overdag worden we bewust van onszelf, en verandert dat wat vreemd en verborgen was in een logische tegenstrijdigheid. 

In bed zijn onze stemmen laag en zacht, spreken we onze woorden mompelend naar elkaar en tegen onszelf. 

‘Zul je over mij zingen?’ 

Haar stem klinkt zacht en warm.
‘Dat deed ik al voordat ik je ontmoette’, zeg ik. 

Ze lacht en haar zachtroze lippen die al zo mooi waren als ze ernstig was, spreiden breed over haar gezicht. Ze lacht met haar lippen op elkaar gedrukt. Als ze ziet hoe mijn ademhaling versnelt, verdwijnt haar lach en kijkt ze naar mijn mond. 

Ik kus haar. 

We kussen urenlang.
Een oever overstroomt.

Als we even uitrusten, vraagt ze waarom we kussen. 

De betekenis van haar vraag ontgaat me. 

Ik kus omdat ik dom ben. 

Ik zeg het niet, maar denk het. 

Dan kust ze me opnieuw. 

 

Als we opstaan worden we Orpheus en Eurydice, en verandert onze verbinding in een toevallige nevenschikking van namen, lichamen en levens. Binnenshuis zijn we twee individuen bij elkaar met gevoel en schoonheid, gevangen door het zonlicht dat door de ramen valt.

 

2 – Dolappel

Haar kleren hangen tussen de mijne. Haar tuniek ruikt naar rozemarijn. Haar haren verweven in mijn kam. Het gaat goed tussen ons, denk ik, maar zodra ik het denk, voel ik de noodzaak om het te toetsen, om naar buiten te gaan, om haar te zien bewegen in de buitenwereld.
  Eurydice rangschikt haar gewaad, zodat het precies goed over haar schouders gedrapeerd ligt. Het is al warm voor de tijd van het jaar. Eurydice loopt voor het eerst op sandalen in plaats van blote voeten. Haar nieuwsgierigheid om de stad te verkennen en zich te mengen met het volk overwint het met gemak van haar onwennigheid. Als ik de grote poort met een schelle piep open, slaakt ze echter een gil en houdt ze haar handen tegen haar oren. Buiten de poort worden we opgenomen in een wereld vol geweld. De zon is fel als pas gesmeed brons en perst een pijnlijk wit licht in de smalle straten. Ik ruik de zure geur van modder, de vette rook van haardvuren en de dierlijke stank van vee. Jongens oefenen hun vechtkunst met houten zwaarden, dromen dat ze argonauten zijn. 

  Ik hoor het diepe, ritmische kraken van hout en het zompige gestamp van ossenpoten die karren met vis door de modder trekken. Zolang ik me op het patroon concentreer, gaat het goed. Ik zie hoe de wielen twee perfect parallelle sporen trekken langs de schreeuwende kinderen.
  Eurydice loopt voor me uit en ik merk dat ze de rechte lijn van de straat niet volgt, maar een onzichtbaar slingerend pad volgt. Ze springt op de smalle rand van een fontein en balanceert op de stenen. Ze trekt de aandacht van voorbijgangers, niet alleen door wat ze doet, maar ook om hoe ze eruitziet. Ik voel de aandrang om over haar te zingen, te laten weten hoeveel meer ze voor mij betekent dan voor hen, maar omdat ik niet weet waar ik moet beginnen, klap ik in mijn handen en lach ik vriendelijk naar de mannen die naar haar kijken. Als ze de blik van één van hen uitdagend beantwoordt, voel ik een pijnlijke steek in mijn lever. Ik zou willen dat ze zo naar mij kijkt. Zo vanzelfsprekend als ze mijn leven is ingewandeld, lijkt ze er nu weer uit te wandelen.
  Ik zie twee oude mannen wandelen. Het is niet duidelijk wie wie ondersteunt. Ik heb ze horen praten. Ze gaan naar de agora om wijn te drinken. De jongeren zijn te druk met bouwen om te merken hoeveel de ouden drinken. Bij het offerfeest zal er tekort zijn, maar dan wijzen we naar de goden. Mijn vader klaagt bovendien dat het aantal voorouders dat geëerd moet worden elk jaar toeneemt, en dat de rituelen steeds complexer worden. Kauwen op meidoornbladeren is niet genoeg om de geesten van de doden te kalmeren en pek op de deuren houdt hen evenmin buiten.
  Op de agora zijn de indrukken nog intenser. De handelaren doen hun best om de aandacht naar zich toe te trekken. Eurydice raakt alles aan waar ze voorbij loopt, ruikt aan de kruiden, de vissen en het brood. Ik probeer iets te vinden waar ik mijn aandacht op kan vestigen. De pottenbakker. Ik kijk naar zijn handen. De manier waarop de natte, grijze klei aan zijn vingers plakt, de gladde textuur. Hij roept steeds: ‘Sterk als de bergen!’. Iemand anders roept: ‘Wijn van Naxos! Voor de levenden, niet voor de doden! Een slok en je vergeet elke demoon die je volgt!’ De tafel van de boerin is perfect geordend. De gedroogde paddenstoelen in een nette stapel, de eieren in een precies patroon in het mandje, de bosjes wilde knoflook naast elkaar. Mijn blik schiet naar de jager. De geur komt eerst, zwaar en dierlijk van bloed en vet. Ik zie de verschillende texturen van de grove wolvenvacht. Op grof vlechtwerk liggen enorme stukken vlees van varkens en edelherten. Een druppel condens op een wijnkruik. Een vlieg op een vissenkop. De details zijn fascinerend, maar de geur overheerst. Ik draai mij om en bewonder in de verte de perfecte verticale rookpluim van een heiligdom.

Thuis knielt Eurydice in de kruidentuin op de patio. Ze plukt met zorg blaadjes tijm, kneust de stengels zachtjes en ruikt de opstijgende geur. Ik leun tegen de deuropening, pak mijn lier en begin zacht, zoekend te neuriën. Eurydice kijkt op en glimlacht. Dan vinden mijn vingers akkoorden, maar de woorden komen nog niet. Ik zing klanken zonder betekenis, een melodie die naar iets zoekt – ‘ma-ré, ka-thún, si-lái’ – alsof de taal zelf nog geboren moet worden.

  De glimlach van Eurydice verdwijnt. Ze houdt een groen blaadje tussen haar vingers. Haar reactie maakt me onzeker.
‘Let niet op de tekst’, zeg ik.
Eurydice komt voor mij staan, en zegt: ‘Onder water leven er vissen waar je doorheen kan kijken. Je ziet hun hart, alle organen.’ Dan kijkt ze naar mij en zwijgt ze.
Ik pulk aan mijn snaar, probeer te begrijpen wat ze daarmee bedoelt. Wilde ze niet dat ik over haar zou schrijven? Ik denk aan mijn vers. Het ritme klopt en de melodie blijft hangen. Als ik er een tekst bij bedenk, kan ik er een goed lied van maken. Er kan op gedanst en gedronken worden. 


Die nacht slaap ik slecht. Op de tast sluip ik voorzichtig naar buiten om Eurydice niet te wekken. Buiten is het pikdonker. Ik loop een stuk rechtdoor en onthoud mijn stappen zodat ik de weg terug kan vinden. Boven mij fonkelen sterren. Eén van de sterren raakt los van de hemelkoepel. Terwijl ik me afvraag of het een teken is van goddelijke instemming, volgen er meer. De ene na de andere valt naar beneden. Ik voel me getuige van iets bijzonders en schrijf nieuwe verzen. Dit keer zijn het wezenlijke verzen over haar. De volgende dag zitten we bij het vuur, eten bessen en frambozen, en ik voel dat er iets is veranderd. Vroeger warmde ik mij graag aan het vuur, alleen of met een vrouw, maar nu beangstigt het mij. Eurydice kijkt niet naar de vlammen, maar naar de wilde duisternis die tegen de andere kant van het raam drukt, een storm die ik niet kan temmen. Ik neem haar mee naar buiten en schreeuw enkele verzen tegen de wind in.

Is het je buik die van mijn liefde zwelt

je hoofd dat zindert van mijn taal 

of groeit alles mee

en kent mijn liefde maat noch schaal?’

Heel even is ze weer van mij. Zo voelt het. Ze glimlacht, leunt tegen mij aan en ik wil samen met haar wegwaaien. De storm raast onverbiddelijk om ons heen. De poort piept in zijn sponning. Er komt echter geen antwoord. Van wie wil ik een antwoord?

Dan wandelt ze de tuin uit, trotseert de wind voorovergebogen en met de kin op de borst. Wilde strengen haar wervelen in de lucht. Ik kijk, verwacht dat ze terugkomt, maar ze komt niet terug. Ze gaat verder tot ze verdwijnt achter een heuvel.

Pas dagen later klopt ze ‘s nachts op mijn deur. Ze draagt nog steeds hetzelfde kleed, maar het is doorweekt en zit onder de modder. Ze veegt de verwarde klissen van haar ogen weg. Haar gezicht is rood en branderig.
  ‘Ik heb de bodem gezien’, zegt ze. Ze rilt. Ik weet niet wat ze daarmee bedoelt, maar voel een steek van jaloezie. Ik had de bodem ook willen zien. Er borrelen vragen in me op, maar ik bewaar ze voor mezelf. Ik leg de achterkant van mijn hand tegen haar voorhoofd, ijskoud. Bezorgd trek ik haar naar binnen. Ik maak een vuur en kleed haar uit. Overal kleeft modder. Ik haal het vloerkleed weg en duw haar op haar knieën op de koude stenen vloer. Ik wrijf haar in met olie en schrob haar schoon met puimsteen en as.
  ‘De aarde zit in mijn poriën’, zegt ze.
  ‘Elke man in Thracië droomt ervan om ‘s nachts bezoek te krijgen van een besmeurde nimf’, zeg ik.
  ‘En jij?’ vraagt ze.
  ‘Het is opwindend’, geef ik toe, terwijl ik de goudgroene olie over haar scheenbeen masseer. Onder mijn vingers lost de aarde op.
  ‘Ik zorg niet echt voor je. Ik raak je aan waar ik wil, omdat ik het wil.’ 

  ‘Wil je macht? Ik geef het je macht’, zegt ze. 

Ik giet opnieuw olijfolie uit een kleine aarden kruik. De vloeistof valt in een trage straal op haar schouderblad, waar een korst van opgedroogde klei zit. Ik pak de bronzen schraper, en zet het koude metaal tegen haar huid. In lange, ritmische halen, trek ik het vuil van haar af. Bij elke streek verschijnt de bleke huid eronder weer, als marmer dat wordt opgegraven.
  ‘Maak me niet helemaal schoon’, zegt ze hees.
Ik negeer haar, schraap harder over haar rug, naar beneden, over de welving van haar heupen. De scherpe geur van olijven vermengt zich met de zware, rotte geur van moeras. Het maakt me duizelig.
  Dan grijpt ze naar mijn pols. Haar koude vingers laten zwarte afdrukken achter op mijn onderarm. De schraper klettert op de vloer. Ze draait zich om. Haar borst en buik zijn nog steeds besmeurd, een landkaart van plekken waar ik nog niet ben geweest. Ze trekt me naar zich toe, drukt mijn schone tuniek tegen haar vuile lichaam. Haar dijen gloeien tegen mijn kruis en terwijl we kussen, kleedt ze me uit. Ik proef zand. Het knarst tussen mijn tanden, ik slik alles door. 


Ik wentel me in de vreemdheid van de dagen en nachten die in elkaar overvloeien. Ze overkomt me, en misschien overkom ik ook haar. Het niet-weten is een veilige plek, maar soms ben ik bang dat ik het nooit te weten zal komen.

Misschien komt ze terug vanwege mijn bezwerende hymnes, maar het is niet duidelijk wie van ons de rol van de sirene vervult, op wiens eiland we ons bevinden, of wie wanhopig in het diepe water tussen de kustlijnen de grond probeert te voelen, klauwend naar iets wat er niet is. Ook het water heeft een eigen aantrekkingskracht. Het zachte ruisen van de stroming, de kleine golven die belletjes van zuurstof naar de oppervlakte duwen, een kabbelende wereld die tegelijk een borrelende chaos is, verbonden met de onmetelijke, deinende watermassa die de geboortewieg van de titanen was.

Dan verdwijnt ze voor de tweede keer. Ze blijft langer weg. Geen dagen, maar weken. Ik hoor geen melodieën in mijn hoofd en durf mijn lier niet meer vast te houden. Ik componeer niets meer. 

 

In mijn droom weet ik precies waar haar zussen zijn en ik duik onder het water van het meer. Het water is warm en drukt overal tegelijk. Eerst is er alleen groene schemering, maar als ik dieper ben, zie ik een hut die vasthangt aan lange, dikke wilgenwortels die verdwijnen in de diepte. De hut zelf bestaat uit bleekgele rietwortels. Witte waterlelies hangen als gordijnen en vormen kamers zonder muren. Dan zie ik de Naiaden, zacht deinend in de stroming. Eén van hen grijpt naar iets wat ik niet kan zien en stopt het in haar mond. Eurydice is er ook, maar ze is veranderd. Haar ogen zijn volledig zwart. Als ik haar aanraak, lost haar lichaam op in olie. Als ik haar loslaat, wordt ze weer heel. Niemand ziet me, alsof ik onderdeel van het decor ben.
    ‘Blijf. Hij is mooi. Talent. Muze als moeder. Wat wil je nog meer?’ hoor ik een zus vragen.
Eurydice opent haar mond om te antwoorden, maar de klank die eruit komt is de mijne. Ik zie haar lippen bewegen, maar ik voel mijn eigen strottenhoofd trillen. Ik ben het die het geluid voortbrengt. ‘Het is een monster. Hij voedt zich met mij’, hoor ik mezelf via haar zeggen. ‘Hijet is een typische god. Hij doet alsof de wereld pas bestaat als hij zingt.’

  Ik word wakker met een nieuw besef. Ze is weg, en toch is er geen afstand. Dat is mijn vloek. Ik heb haar fysieke vertrek niet geaccepteerd; in plaats daarvan heb ik mijn geest zo volgestouwd met mijn eigen idee van haar, dat er geen ruimte is voor stilte. En zonder stilte is er geen muziek. Ik kan niet componeren omdat ik haar niet werkelijk mis. Liefde heeft van mij een monster gemaakt dat zijn geliefde heeft opgeslokt. Ik moet haar uitspuwen. Ik moet het ritueel van verbinding achterstevoren uitvoeren om de afstand te herstellen. Ik moet haar weer vreemd maken. Pas als ze echt onbereikbaar is, kan het verlangen weer stromen. Deze gedachte is van mij, die niet. Deze stem is van mij, deze niet.

  Met dit doel stuur ik mijn droom de volgende nacht weer naar het meer. Dit keer raak ik er sneller. Ik luister, probeer haar stem te horen uit haar mond in plaats van de mijne. Het lukt. Na een tijdje hoor ik haar stem, een klank die ik was vergeten.
  Midden in de nacht word ik wakker. Ze is uit mijn hoofd verdwenen en nu pas voel ik hoe ver weg ze werkelijk is. De afstand is immens. Ik fluister haar naam: ‘Eurydice’. Haar naam verdwijnt in de leegte. Ik zwijg, probeer het opnieuw. ‘Eurydice’. Muziek. Ze klopt op de deur.

Dit keer is ze niet nat en vuil. Ze houdt haar dichtgevouwen handen voor zich uit. Ik raak haar vingers aan, ze zijn ijskoud.
‘Ben je gewond?’ vraag ik. Ze antwoordt niet. Ik probeer haar vingers los te maken, maar ze klemt haar handen stevig dicht. Ze houdt iets vast dat ze wil beschermen, misschien een edelsteen of een bloem. Dan opent ze haar hand. Een vissenkaak.
  ‘Het is af’, zegt ze. Ik ril. Voor het eerst besef ik dat haar ook iets overkomt, en ik ben het niet, alleszins toch niet alleen. Zoals ik inmiddels gewend ben, schieten de vragen door mijn hoofd, maar ik stel ze niet, zoals het een kunstenaar betaamt.
  ‘Je bent ondervoed’, zeg ik, mezelf van de vragen verlossend. Ik trek haar naar binnen, zet haar op de rand van het bed en geef haar een stuk gerstebrood en een kan wijn om het in te drenken. Ze stalt de waren voor haar voeten en zet het kaakbeen ernaast, wit en perfect schoon.
  ‘Jouw lier en kirkaia brachten ons een verrassende avond, Orpheus’, zegt ze. ‘Maar wij kauwen normaal op de doornige dolappels om oog in oog met Persephone te staan. Soms valt één van ons dood neer. Met jou erbij drinken we gemengde wijn uit mooie bekers, maar zonder jou kunnen we de onverdunde akratos drinken, zoals de Maenaden.’   

  ‘Ga terug naar je zussen wanneer je wil’, zeg ik, ‘maar trouw met mij, zodat ik weet dat je terugkomt.’
  ‘Goed’, antwoordt ze.

We plannen onze bruiloft na het volgende winterfeest waar ik nieuwe muziek voor schrijf, maar ik merk dat mijn vingers grepen vormen op mijn lier die niet van mijzelf komen, een nieuwe manier waarop akkoorden in elkaar overvloeien. Het lijkt alsof Eurydice’s stem mijn composities stuurt, ook als zij er niet is. Op een middag zit ik in de galerij en probeer bewust een lied te schrijven dat niets met haar te maken heeft: over de bergen, over mijn jeugd, over de argonauten. Maar halverwege elke compositie sluipt zij erin. De bergen krijgen de kleur van haar ogen, mijn jeugdherinneringen worden verhalen die ik haar zou willen vertellen. Dan besef ik het: ik ben niet meer in staat om muziek te maken die niet over haar gaat.
  

3 – Honing

Op de avond van het feest is het koud, maar de vallei kolkt van warmte en lawaai. Brandende fakkels hangen tegen de steile bergwanden. De geur van geroosterd vlees, gemorste wijn en de scherpe geur van de vochtige grond mengen zich in de lucht. De stad is uitgelopen. Op de kalkstenen uitloper die zich als een tong uit de bergwand naar voren strekt, overschouw ik de menigte onder mij. Ze zijn hier voor het nieuwe ritueel, een belofte geboren in het woud, nu voor het eerst naar de stad gebracht. Het is niet moeilijk om Eurydice te vinden, ze staat in het midden en alle ogen zijn op haar gericht. Sommige mannen kijken met onverholen lust, maar iedereen is geboeid door haar verschijning.

  ‘Deze woorden zijn van mij, Orpheus, zoon van Calliope.’ Mijn stem galmt tegen de rotsen, krijgt een eigen lichaam. ‘Dit zijn de woorden die ik zing terwijl ik denk aan Eurydice, de mooiste nimf van het bos. Luister naar mij zoals ik mij door haar laat inspireren. Het scheppende vuur verspreidt zich nu eenmaal via mijn stem. Laten we feesten in deze vallei aan de Thracische meren, waar de Helleborus op de hellingen bloeit. Maenaden steken de bloemen in hun haren. Wie vruchtbaar is draagt een roze bloem.’

  Ik raak mijn snaren aan zoals ik dat deed bij onze ontmoeting. Ik proef opnieuw het sap van de kirkaia op mijn tong en zing over het kronkelen van wortels, over de manier waarop Eurydice loopt, over de wegen die ze kiest in het bos en in de stad. Ze danst samen met de Dryaden en de Maenaden. Iedereen weet wie ze is.
  Ik zie Aristaeus naar haar toe stappen en dan ontstaat er wat commotie; de Dryaden grijpen in en verzamelen zich rond Eurydice om haar te beschermen. Als een cel beweegt de kring, met Eurydice in het midden, weg van de massa. Ze verdwijnt buiten mijn blikveld, maar ik maak mij geen zorgen. Ik zorg er altijd voor dat ze terugkomt.
  De Maenaden trekken de kop van een reuzenstier die over koeien heerste omhoog, zodat die op het luchtruim van de goden is gericht, en klieven zijn keel door boven een cirkelvormige stapel hout dat rood ziet van het bloed. Ze gieten er olie van olijven over, en daarover weer een beker schapenmelk. Daaromheen staan andere vrouwen die hun speren en zwaarden in de huid en ingewanden van de stier stoten. In het midden van de kring staat een aarden vat waarin een mengsel van gerst waarmee Demeter leven schenkt. Eén van hen schept wat van het mengsel in een gouden schaal en laat die rondgaan, zodat elke volgeling van de offerdrank kan nippen.

  Na mijn laatste lied spreek ik een eed uit van mijn verbond met Eurydice, die ik bekrachtig met rituele tekens van mijn handen.
  Wanneer Titan in Okeanos duikt en Mene met haar wade van sterren duister schijnsel brengt, is het ritueel voorbij en ga ik naar haar op zoek. Ze ligt op de grond en het lijkt alsof haar been is geschramd. 

De dryaden blokkeren mij het zicht. 

Aristaios komt naar me toe. 

Hij is bang.

  ‘Je begrijpt toch dat ik niets kwaads in de zin had, ja ze is mooi en beschermd, maar ze wilde met mij over honing spreken, dat hoorde ik van de tempeldienares, gewoon over honing.’ 

  ‘Niet iedereen weet dat je de beste imker van Thracië bent’, antwoord ik met de bedoeling om hem te troosten. 

  ‘Ze is dood, Orpheus’, zegt hij dan. ‘Gebeten door een adder, dat zei Mukos, hij droeg een wijnzak op zijn rug.’
De mededeling komt niet binnen. 

Hij blijft aan de oppervlakte drijven, als een olievlek. 

Mijn blik klampt zich vast aan Aristaeus. 

Aan het schuldige trekken van zijn mondhoek en de manier waarop hij zijn gewicht van zijn ene voet op de andere verplaatst.
Het rad van mijn gedachten kantelt uit zijn baan, slipt, grijpt niet meer. 

Ik vind het wiel opnieuw uit. 

Hij heeft zich vast vergist. 

Mukos was dronken, hij zei het zelf. 

Ik breek mijn gedachtegang af, al die kronkels en omwegen.

Dood, adder. 

Dit is een onbewandeld pad, een omweg. 

Mijn denken reikt niet ver, maar het boort diep.

De opengesperde kaak van een slang, de glinstering van de tanden, haar huid. 

Het bewegende gras, het klotsende water waarin de Maenaden naakt zwemmen. 

Terwijl ik de Thraciërs liet dansen, bewoog zij zoals de adder over de grond, reikend naar haar enkel, dan naar adem. 

De kleur verdween uit haar gelaat, haar ogen draaiden weg. 

Demonen tilden haar op bij schouders en benen om haar naar Averno te dragen. 

Het gebeurde echt.

De dagen en nachten na haar dood lopen in elkaar over. Dagelijks zie ik voor me hoe de nimf wegrent van de adder, Eurydice die op de grond ligt te creperen, haar laatste stuiptrekkingen. De adder die snel tussen het hoge gras verdwijnt. Ik zie de momenten voorbijflitsen, ook als ik niet aan haar denk, omdat ik word afgeleid door de vele bezoekers die over de vloer komen: vrienden, nieuwsgierigen, familie, de ellendige nimfen. Dit is dood, denk ik. Het leven stopt niet plots, het dooft uit zoals de klanken van mijn muziek tegen het gebergte botsen en terugkomen. Dood, dood, dood.

 

Op de eerste dag van de nieuwe maan is Aristaios bij mij thuis. Het is onze vaste dag. We zitten aan een tafel in één van de zuilengangen van de binnenplaats. Het is het einde van de winter en al aangenaam warm. Verderop hoor ik het getik van de smid die met een hamer en beitel het verroeste scharnier uit mijn poort haalt. We verbranden laurier, drinken wijn met honing en dobbelen. Water klettert uit een fontein. Ik gooi twintig. Hij schuift in zijn stoel, voelt zich schuldig; zegt dat hij zich niet had moeten opdringen. Misschien heeft hij gelijk. Hij gooit vijftien, ik win. Ik vraag hem hoe het met zijn bijen gaat. Hij heeft zijn bijen tenminste nog. Levende bijen in een korf. Je hoeft maar een schuif van de kast open te trekken en ze zoemen rond je hoofd. Hij geeft geen antwoord.
  ‘Er sijpelen hier verhalen door’, zegt hij, ‘meegebracht door schippers en handelaren die terugkeren van de Peloponnesos en fluisteren over aardbevingen nabij Kaap Tainaron, wat lijkt te duiden op hernieuwde onrust diep in de Tartarus. Je kan haar terughalen als je wil, Cerberus zal afgeleid zijn.’
  Hij probeert in mijn goede boekje te komen. Bovendien treft hem geen schuld als het mij lukt. En toch heeft hij ook een punt. Met mijn talent kan ik Hades overtuigen. Ik win weer. Ik kan in Herakles’ voetsporen treden. En Persephone mocht dankzij Demeters onderhandelingen met Hades twee seizoenen per jaar naar boven komen. Het zijn oude verhalen, maar voor mij zijn het voorbeelden. Misschien moet ik de poging wagen. Er zal gelukkig geen krioelende menigte boeren bij Hades’ kasteelpoort staan, allen roepend om een ander, elkaar overstemmend tot onverstaanbaarheid toe. Ik roep ze op in mijn gedachten en veracht ze, want mijn gemis overtreft het hunne. De goden staan aan mijn kant.  
  Het late winterlicht op de binnenplaats lijkt plotseling iets van zijn kleur te verliezen, alsof er heel even een onzichtbare wolk voor de zon schoof. De schaduw van de zuil naast me tekent zich scherper af op de stenen.

  ‘Ik ga het doen’, zeg ik. 

  Aristaios probeert zijn opluchting te verbergen met teleurstelling om zijn verlies van het spel. Zijn onstandvastige houding geeft me de extra moed die ik nodig heb. Ik sta op en loop naar de rand van de zuilengang, kijk uit over de tuin waar de vijgenbomen staan, hun bladeren zilverachtig in het bleke winterlicht. De druivenranken slingeren zich als donkere aderen over de pergola’s, en hier en daar is een eerste teken van leven zichtbaar. De olijfbomen staan nog kaal, hun knoestige takken donker tegen de bleke hemel, maar hun knoppen zwellen zichtbaar, klaar om open te barsten. Ik ben Aristaios dankbaar voor zijn aarzelende woorden; hij kent mij goed.
  Ik kijk hem aan terwijl hij nerveus met de dobbelstenen zit te friemelen. Even overweeg ik hem te vragen mee te gaan, maar dan stel ik me voor hoe hij Charon probeert over te halen om bijen te houden, zodat hun gezoem de klaagzangen van de doden zou overstemmen en zijn eeuwige reis aangenamer zou maken, of zodat hij de honing kan ruilen voor extra obolen bij de schimmen die vergeten zijn te betalen. ‘Weet je,’ zeg ik tegen hem, ‘ik denk dat ik dit alleen moet doen.’ Hij kijkt opgelucht, alsof ik hem net heb verteld dat hij niet mee hoeft naar de volgende Panathenaeën. Hij knikt begrijpend en we nemen afscheid. Ik glimlach en denk aan hoe hij Hades zou vervelen met zijn verhalen over de onsterfelijkheid van bijenkoninginnen. Trouwens, als ik Eurydice terugbreng, wil ik niet dat Aristaios de eer krijgt omdat hij toevallig Cerberus heeft getemd met een potje honing.


Het vooruitzicht van de tocht doet me denken aan Medea. Zij was het die de draak versloeg bij de ruig verweerde eik. Ze mengde het bloed van drie ravenzwarte honden met de bloem van koper, zeepkruid en saffloer, terwijl ze, gehuld in een zwart gewaad, een gebed uitsprak. Het was haar magie waardoor wij onze missie hadden volbracht. Zo gaat het verhaal, maar het vlies heb ik nooit gezien. Sommige andere argonauten geven het ook toe. Maar dat het vlies niet bestaat, sluit niet uit dat haar natuurkrachten niet bestaan. Ik weet zeker dat ze als kleindochter van Helios natuurkrachten bezit die niemand anders heeft, ook ik niet. Mijn bezweringen komen niet uit een ketel, maar uit mijn keel.

De schemering valt in, zo meteen zal het donker zijn, net als waar Eurydice is. In mijn hoofd herhaal ik de verhalen van hen die eerder afdaalden, zochten naar een zwakke plek in Hades’ karakter. Binnen grijp ik mijn lier en ik vertrek, de invallende nacht tegemoet.

De nacht is niet zomaar donker
ze is oud, diep, vol van onzichtbare aanwezigheden.
Ik volg een roeping
de rivier waarvan de stroming niet naar de zee voert, maar naar beneden.
De lucht ruikt naar natte steen.
Dit is geen leegte, maar een podium,
en ik ben er klaar voor.

 

4 – Affodil

De rivier stroomt hier zonder geluid.
Dit is de drempel.
Mijn ogen speuren de oever af, zoekend naar de kromme rug van de veerman, zijn knoestige handen om de roeiriem, zijn roerloze kalmte.
Maar de oever is leeg.
De aanlegsteiger, als die er al is, is onzichtbaar in de eeuwige schemer.
Er is geen boot, geen lantaarn, geen gekraak van een roeidol, geen Charon.
De weg naar Averno ligt open.
De rivier lonkt met haar trage, donkere stroom.
Ik loop het water in, het slijk zuigt mijn voeten vast aan mijn sandalen.

Dan voel ik de bodem onder me wegglijden.
Ik neem een duik, de schok van de kou snijdt door mijn kleren heen. Ik zwem met krachtige slagen, blindelings, richting een vage, donkere opening in de rotswand die ik eerder vanuit de oever meende te zien, een tunnel. Ik word onder water meegenomen door de stroming. Ik vind houvast aan de glibberige stenen wand en klim, trek mezelf dieper omlaag. Het water voelt hier vreemd genoeg lauw. De tunnel eindigt in open water. Ik schiet omhoog, naar lucht happend die muf en zwaar smaakt, als eeuwenoud stof en stilstaande lucht. Mijn longen zuigen zich vol. Ik zwem naar de dichtstbijzijnde oever, een strook van zwart gruis en gladde keien, en til mezelf het land op. Het water op mijn kleren en lichaam verdampt niet, maar lijkt te worden opgeslorpt door de grondeloze atmosfeer. Met mijn schorre stem roep ik Hades aan.
  ‘Ik ben Orpheus, zoon van Calliope, weduwnaar van Eurydice. Hier daalt een voet waar leven zweeg, door schaduw heen die alles weegt. De lucht is ijs, de stilte steen. Ik loop, bezeten en alleen.’
  Voordat mijn vers wegsterft in de immense ruimte, lijkt die eerst nog te vervormen, alsof het geluid door deze plaats wordt geabsorbeerd. Dan volgt de stilte als een zware deken. De lucht om mij heen knispert, mijn hoofdhuid tintelt. Een onverwachte kramp snoert tegen mijn borstkas. Ik ril onbeheerst, mijn kleren plakken aan mijn lijf. Zachtjes raak ik de snaren van mijn lier, totdat ik in de verte een diep, resonerend gerommel hoor. Bij gebrek aan betere opties, beschouw ik het als uitnodiging. Ik klem mijn lier steviger vast en wandel in de richting van waar het vandaan kwam. Het pad is bezaaid met losse stenen en de lucht voelt zwaar. Om mezelf te motiveren, sla ik met een stevige zwaai een akkoord aan en volg het onweerachtige antwoord. Het veld waardoor Hades me leidt, baadt in de eeuwige schemering en is bezaaid met de bleke, spookachtige kelken van affodillen. Soms, wanneer ik er vlak langs beweeg, lijkt het wit van hun blad even van kleur te verschieten. Tussen hen drijven schimmen, stil en grijs, maar ik richt mijn blik voorbij hen, zoek naar een teken van macht, een structuur die uitsteekt boven deze eindeloze vlakte. 

‘Mijn kunst is kracht

mijn geest een wond

tot ik haar vind op deze grond. 

Uw wet getart

uw macht gekeerd

tot leven weer mijn liefde eert.’

 

Mijn stem klinkt hier niet als mezelf, hol en dun. Telkens wanneer ik de stilte tracht te doorklieven, lijkt het alsof mijn verzen tegen een ander geluid botsen. De fluisterende schimmen zijn bovendien een ondankbaar publiek. Ze tonen geen vreugde, geen verdriet, bestaan enkel in hun eindeloos grijze wereld. Dagenlang, of wat voor dagen door moet gaan, loop ik door deze stofweide. Niets verandert, dus ik verander. Mijn verlangens smelten langzaam weg. Ik vrees dat ik langzaam één van hen word.

De omgeving wordt rotsachtiger met keien en obsidiaanachtig gesteente. Een enkele kleine bloem prijkt nog hier en daar. Het gerommel is nog steeds hoorbaar in de verte. Het pad eindigt abrupt en voor me doemt een gladde, zwarte muur op. Ik wrijf met mijn hand over de wand en voel het allerzachtste dons. Het is zo zacht, en ontdaan van kou of warmte, dat het lijkt alsof er helemaal geen muur is. Ik duw mijn hand voorbij het oppervlak, geen weerstand. Ik zet mijn been naar voren, maar er is ook geen ondergrond. Voor zover ik kan zien is er geen ander pad te bekennen, enkel deze hopeloze duisternis die zich uitstrekt tot de horizon. vanuUit een natuurlijke reflex begin ik te zingen, maar in plaats van te weerkaatsen, wordt elke klank onmiddellijk onherkenbaar vervormd en vervolgens verzwolgen. Ik probeer een andere hymne, krachtiger dit keer, een hymne die zelfs de stugste satyr kan doen dansen, maar het is niet genoeg. Dit is dode materie, een resolute afscherming als een dicht, naadloos gordijn geweven van Gordiaanse knopen. Elke harmonie neemt het in zich op en de muziek vindt er geen uitweg.
Het is als met die oude, verroeste poort in de tempeltuin die maar bleef piepen, hoe voorzichtig je hem ook probeerde open te doen. De smid luisterde naar het gepiep, voelde waar het vastzat en begon toen ritmisch te tikken op de zwakke plek, waardoor het oude metaal brak. Trilling om te breken. Vastberaden neem ik mijn lier vast. Ik ontspan één van de snaren tot ze slap hangt en tokkel er een valse, jankende klank uit. Het pad voor mij dat eerst nog met een scherpe rand gescheiden was van de ondoordringbare duisternis, begint te rimpelen, te rafelen, als verbrande stof. Maar de duisternis biedt weerstand, sluit zich bijna weer. Ik draai de andere snaren ook los. Dan pluk ik er aan meerdere tegelijk, willekeurig, hard. Er zit geen troost in, geen zoetheid, maar een grilligheid die zich tegen mij keert. Afwijzing. Ik denk aan Eurydice die zich hier ergens schuilhoudt onder de invloed van Hades en mij laat zwerven. Dan hoor ik een patroon in mijn muziek. Schrille tonen vormen rauwe, bijtende akkoorden. Mijn vingers vinden grepen die ik nooit heb gekend en ik bijt terug met complexe akkoordenwissels. Het werkt, er ontstaan gaten in het gordijn, eerst als speldenprikken, dan groter, alsof het wordt weggevreten door onzichtbare motten.

  Als de gaten groeien, zie ik door het zwarte rag in de verte een donkere massa die zich tegen de lucht van oker en vuur verheft. Dat moet het zijn, het schitterende hart van dit rijk. Een korte opflakkering van hoop. Vastberaden zet ik mijn route voort. Wanneer ik dichter kom, zie ik dat de donkere massa geen paleis is, maar een grote rotsformatie. Het gerommel van daarnet is veranderd in gedreun dat ik voel tot in mijn botten. Er is onrust, zoals Aristaios had voorspeld. Ik hoor opstandig gejoel en het gulzig happende geluid van vuur. Hades leidt mij naar Tartarus, het land van vloek en straf. Ik hoor trappelende hoeven als van een rennend paard. Het wordt luider en luider, mijn benen trillen op de grond. Hoog in de zware rook verschijnt eerst een woeste hondenkop, dan een tweede en een derde, elk zo groot als een strijdwagen. Hun brede nekken zijn verbonden met één logge, pezige torso. Ik snuif de verschroeide lucht op en zing:

Onderaardse Zeus, vorst van dood en nacht

die waakt waar eeuwig schaduw wacht
waar Sisyphus zijn rotsblok rolt
en Ixion aan het vuurwiel tolt

Verdoem mij, heer, geef mij dat rad
Het hoeft niet meer te branden
Mijn hart heeft reeds lang vlam gevat
Het as kleeft aan uw handen

Want nu mijn nimf voorgoed verdween
Heb ik met goden niets gemeen
Ben ik ook als mens niets waard
Dus bind mij vast in uw vuurhaard

Ach Hades, gun mij dit verzoek:
Geef mij hun lot, bied mij hun vloek
Maak plaats voor haar in uw kasteel
Verban mij naar hun strijdtoneel’

Ik hoop dat mijn woorden Hades bereiken en dat hij Cerberus dwingt om mij door te laten.
Het beest briest en lijkt immuun voor de zelfopoffering van Hades’ gevangenen.
Ik kijk de drie woeste koppen één voor één aan.
Ze maken een even dreigende indruk.
Slierten slijm druipen langs hun kinnen.
Waar ze in druppels op de grond vallen, ontstaat een moeras.
Drie muilen om te bijten, zes ogen om te staren vanuit dat ene, logge lichaam.
Wat een verspilling.
Als ik drie koppen had, kon ik zowel voor als achter me zien, terwijl ik met het derde ongestraft naar Eurydice kon blijven kijken.
Of misschien zou ik mijn derde hoofd richten naar de andere twee.
Eén paar ogen voor het pad achter mij, één paar voor het pad dat ik nog moet begaan, en één voor de waanzin.
En ik zou als wolven kunnen huilen in driestemmige harmonie.
Het is waarschijnlijker dat ik driewerf zou verdwalen in mist en rook, met drie stemmen die door elkaar schreeuwen in mijn eigen schedel.
De hellehond zwaait gevaarlijk met zijn puntige slangenstaart en ik moet vluchten, weg van de Tartarus.

De terugweg strekt zich voor me uit als een rivier die ik tegen de stroom in moet bevaren. De walm van verschroeide huid maakt plaats voor een neutrale, stoffige geur. Mijn lier hangt als een dood gewicht tegen mijn zij, de snaren tikken bij elke stap zachtjes tegen het hout. De enige andere klank is het zachte, droge knarsen van mijn eigen sandalen op de losse steentjes en het gruis, een hol, onbeduidend geluid in de immense, wachtende stilte. Het wordt donkerder.

De schimmen drijven langs, dichterbij nu lijkt het. Hun stilzwijgen is mijn stilzwijgen, hun doelloosheid de mijne. Weten ze dat ik heb gefaald? Ik versnel mijn pas. Het zwarte doek hangt er nog steeds, gescheurd en volkomen nutteloos. Dan blijf ik staan, midden op een pad. Ik denk aan Aristaios’ goedbedoelde medelijden straks, zijn aansporing om het opnieuw te proberen, of – godbetert – zijn aanbod om mee te gaan. Ik denk aan de verwachtingsvolle gezichten van de nimfen. Ik kan niet zeggen dat Cerberus’ slijm naar mij spuwde en mij de doorgang blokkeerde, maar ook niet dat het mij is gelukt om Eurydice mee te nemen.

Maar wat als ik het bijna had gehaald?
De leugen ontrolt zich als papyrus.
Hades was geïmponeerd door mijn muziek.
Ja, dat klinkt geloofwaardig.
Mijn kunst heeft zelfs de wreedste wezens mild gestemd.
Persephone huilde en Hades stemde toe, maar stelde één voorwaarde: ik mocht niet achterom kijken tot we beiden de bovenwereld hadden bereikt.

Ik hervat mijn tocht. Het verhaal verfijnt zich bij elke stap. Ik zal vertellen hoe Eurydice achter mij liep, hoe ik haar voetstappen hoorde, of nee, juist niet, want schimmen maken geen geluid. Hoe de twijfel aan mij knaagde. Was ze er wel? Volgde ze echt?
  Bij de ondergrondse rivier duik ik het koude water in. Terwijl ik zwem, bedenk ik de climax: vlak voor de uitgang, overweldigd door twijfel en verlangen, had ik me omgedraaid. Eén blik. Eurydice was er, hield haar hand naar mij uitgestrekt, maar ze vervaagde direct en werd de duisternis in getrokken.

5 – Granaatappelsap

Ik wrik het water uit mijn tuniek.
Het licht op het zacht stromende water verblindt mijn ogen.

Langs de lippen van de rivier groeit fraai venushaar, doornappel, cypergras, ijzerhard.

Insecten cirkelen rond de pluimlavendel en de krokus geurt heerlijk. 

Eurydice zou zich blij maken met de kruimelende marjolein en de wilde kamperfoelie. 

Vissen maken plaats voor Ram.
Het is Lente en Persephone is terug.
Ze zwerft hier rond, vergeetachtig en bevlekt met granaatappelsap.
Ze zoekt haar moeder.
De terugkeer maakt het verlies niet goed, het is maar een toegeving.
Haar verhaal is af.
Hades heeft nu het rijk met Eurydice voor zich alleen.
Het is nu haar beurt in het veld met de god.
Haar verhaal is ook af.
De lente, begin van leven en toegift van Hades, wordt door de Maenaden gretig omarmd.
Zij verachten het einde, de cyclische volmaaktheid.
Zij dansen in de open wonde, met hun voeten in de natte aarde.

Ik weet niet meer wat er is gebeurd, maar herinner me flarden.
Telkens wanneer ik er een verhaal van probeer te maken, verandert het.
Ik zal vertellen dat ik voortekenen zag.
Voordat de gebeurtenissen zich als schaduwen voltrokken, zag ik ze al helder voorbij flitsen.
Het moment dat ik in de muil van Cerberus keek en wist dat ik zou worden verslonden door mijn donkere verlangens; het moment voordat ik mijn hoofd draaide om haar te zien en al wist dat haar lichaam zou verdwijnen.
Het verhaal vertelt zichzelf en het zal van anderen zijn.

Mijn hand zoekt instinctief naar mijn lier die naast me ligt.
Het natte hout is gespleten.
Een taak.
Ik moet opstaan.
Ik moet spreken, ik moet zingen.
Mijn spieren, stram van het zitten, en een koude gloed die nog is overgebleven van de onderwereld, protesteren even.
De lentezon prikt in mijn ogen, maar brengt geen warmte in mijn botten.
De lucht trilt als een snaar.
Die van mijn lier zijn nog gestemd op de onderwereld.
De eerste toon klinkt als het gekras van een harpij die haar klauwen over een bronzen schild haalt, scherp en onaangenaam als die stekende lentezon.
Ergens achter me blaat een schaap nerveus.
Dan klinkt een droge stem van een oude herder die blijkbaar met zijn kudde langs de rivier trekt en even is blijven staan.

‘Dat is geen muziek voor de lente, zanger,’ zegt de man.
Zijn stem draagt geen verwijt, enkel een vaststelling.
Ik draai mijn hoofd half naar hem toe.  
‘Oude man, wie zegt dat de lente alleen lichtheid en zachtheid is? Zie je niet hoe deze knop de tak splijt, hoe het leven zich met geweld een weg baant uit de dode aarde?’
De herder zwijgt, leunt zwaarder op zijn staf en kijkt naar de rivier alsof hij daar de echo van mijn woorden zoekt.
Ik herken mezelf in zijn domheid en dat geeft me het zelfvertrouwen dat ik nodig heb.
Ik heb de toon gevonden, ik moet haar nu enkel blijven aanhouden.
‘Moge de wolf uw lammeren met rust laten, herder,’ zeg ik. ‘Ik ga de mijne opzoeken.’
Ik laat hem achter en volg het pad omhoog.
Zonder duidelijk doel wandel ik richting de dichtbegroeide Thracische bossen.
Mijn benen zijn zwaar en het voelt alsof de stroming nog aan ze trekt.
Af en toe pluk ik een klank uit de snaren.
De geluiden vormen geen melodieën, maar stenen die ik de stilte in werp.
Aan de rand van een kleine open plek ligt een dikke, zware zijtak zo groot als een mannenarm die van de stam is afgerukt.
Het lichte, verse hout steekt rafelig en wit af tegen de donkere bast.
Verderop staat een machtige, oude eik met een gapende wonde op de plek waar de tak heeft gezeten.
Hij moet door de bliksem zijn getroffen.
Het pad wordt smaller, omzoomd door hoog oprijzende varens en vochtige mossen die het zonlicht dempen.
Hoe dieper ik het bos in ga, tussen de oude eiken en de wirwar van klimop, hoe sterker het geluid van een ritmisch gebons wordt.
Eerst is het vaag, een verre tromslag.
Dan wordt het duidelijker: het ritmische stampen van voeten, het rammelen van tamboerijnen, en de doordringende, extatische kreten van vrouwenstemmen.
Ik weet wie het zijn.
De Maenaden, in de greep van hun god.
Een deel van mij wil omdraaien, vluchten, maar ik loop verder, het geluid tegemoet.
Ik stuit op een open plek, badend in het gevlekte zonlicht dat door het bladerdek valt.
Daar dansen ze, een wervelende kring van vrouwen.
Hun haren zijn los, versierd met klimop en bloemen, hun ogen glanzen van de wijn.
Ze dragen vellen van dieren en zwaaien met stokken die bekroond zijn met dennenappels.
Om te zien wat er gebeurt, pluk ik aan een snaar.
Een dissonante toon ontsnapt uit mijn lier en hun wilde, ongebreidelde dans valt stil, alsof ik een scheur trok in het weefsel van hun droom.
Eén vrouw, groter dan de rest, met een krans van eikenbladeren scheef op haar hoofd, stapt uit de kring.
Wijn of bloed kleurt haar kin rood.
‘Orpheus!’
Haar stem is scherp, extatisch, maar met een ondertoon van woede.
‘De man die treurt terwijl Dionysus ons tot vreugde roept!’
Een golf van afkeuring gaat door de groep.
‘Speel voor ons!’ schreeuwt een ander. ‘Speel voor Dionysus! Of dans!’
Ik deins achteruit, zie hun razernij, hun collectieve overgave aan iets wat mij vreemd en angstaanjagend is.
Ik klem mijn lier tegen me aan, een nutteloos schild.
‘Mijn muziek is niet voor jullie dans,’ zeg ik.

‘Hij versmaadt ons! Hij versmaadt de god!’
Het wordt een ritmisch gezang, een mantra van woede.
De grote vrouw geeft een gil en stormt op mij af.
Het is het signaal.
Mijn lier wordt uit mijn handen gerukt, slaat met een droge knal kapot tegen een boomstam.
Als één lichaam vallen ze aan.
Handen grijpen mij vast, trekken aan mijn kleren, aan mijn ledematen.
Ik struikel, val op de met ruwe mos bedekte grond.
De wereld wordt een chaos van asymmetrische gezichten, de geur van wijn, zweet en aarde.
Mijn arm wordt verdraaid, mijn been wordt de verkeerde kant op getrokken.
Hun kracht is gevoed door razernij.
Ik probeer iets te zeggen, maar mijn stem wordt gesmoord door de kakofonie en de pijn. 

Ik voel tanden in mijn schouder.
Bloed stroomt op verschillende plaatsen uit mijn lichaam.
Mijn ribben breken.
Een mier loopt over iemands voet.
Bloed stroomt in de groeven van de stenen vloer.
Mijn eigen hand ligt op de grond, los van mijn arm. 

De echo’s van mijn eigen verhaal vermengen zich met de realiteit.
Mijn lichaam geeft het op
wordt uiteengereten door de extatische
kracht van degenen die het leven zo wild
vieren dat ze het vernietigen. Dan is er
niets meer dan de triomfantelijke
kreten van de Maenaden die echoën
tussen de bomen, terwijl ze mijn
lichaamsdelen in een
afgrond werpen,
de rivier in.

6 – Zwart koraal

Het begint met slijk. Koud, zuigend slijk dat zich vastklampt aan wat er van mij is overgebleven. Flarden flitsen voorbij: waanzinnige ogen, het geluid van scheurend vlees, pijn die alles overstemt… en dan water. Een eindeloze, kolkende duisternis die herinneringen en stemmen opslokt tot er alleen een doffe leegte overblijft. Lethe. Ik heb de Lethe gevoeld, de vergetelheid. Ik was dood. Ben dood. Ik ben terug.
  Een schaduw valt over me, of misschien is het de wereld zelf die zwaarder is geworden. Geen duidelijke vorm, maar een aanwezigheid die de lucht doet trillen. En dan een stem, het geluid van schurend gesteente, rauw en onontkoombaar.
  ‘Orpheus. Boven verscheurd, beneden aangespoeld. Een rumoerige aankomst.’
De woorden vormen geen vraag, geen verwelkoming, enkel een kille vaststelling. Ik probeer te antwoorden, mijn mond te openen, maar er komt niets. Mijn keel… heb ik die nog wel? Eurydice. Een stem in mijn hoofd spreekt haar naam uit als een speldenprik in de verdoving, een echo van een verlangen.
  ‘Je zong een vreemd lied aan mijn poorten,’ gaat de stem verder, onverstoorbaar, met een ondertoon die op spot lijkt, of misschien enkel op onmetelijke verveling. ‘Je smeekte om pijn. Vluchtte voor mijn hond. Nu ben je slechts… gruis. Gebroken.’
  Er valt een stilte, zo diep dat ik het slijk hoor borrelen. ‘Maar,’ vervolgt de stem, en het woord hangt zwaar in de lucht, ‘je volharding, hoe misplaatst ook… ik heb het gezien. Misschien kun je me nog vermaken.’
  Vermaken. Als ik niet al was verscheurd, had het pijn gedaan.
  ‘Je zoekt de nimf nog steeds?’

  Een impuls, een overblijfsel van wie ik was, trekt door mijn wezen. Een ja, geen woord, maar een gevoel dat de Lethe niet had kunnen wissen. Een sprankje hoop, zo onwaarschijnlijk dat het pijn doet.
  ‘Goed dan,’ klinkt het, alsof dan toch nog een oordeel wordt geveld. ‘Een laatste kans, muzikant. Ik geef je een lichaam. Geen beloning, begrijp me goed. Een taak. Ze is hier. Vind haar. Maar vind de ware Eurydice, voorbij de fantomen die je eigen brein nu voor je tovert. Voel de warmte van haar huid, als je die tenminste kan onderscheiden van de koorts van je herinnering.’
Elk woord legt een nieuwe last op mijn schouders, elke voorwaarde snijdt dieper dan de kiezen van de Maenaden. Dit is geen genade, dit is een labyrint, gebouwd in mijn eigen hoofd.
  ‘Als je haar echt vindt, als je de test doorstaat… is ze weer de jouwe. Faal je…’ De stem verdwijnt en laat de consequentie onuitgesproken, wat nog erger is dan welke dreiging ook.
  De zwaarte trekt zich terug. Zijn aanwezigheid lost op in de eeuwige schemering van deze plek. Ik lig alleen in de koude modder. Eurydice. Een taak. Ik moet opstaan. Ik moet dwalen. Ik moet spreken in een nieuwe taal, een ondertaal.

  ‘Ik ben Orpheus, zoon van Calliope, weduwnaar van Eurydice, verscheurd door liefde, door twijfel, door angst en verdriet. Mijn stem is niet hoorbaar voor andere mensen, maar ik denk dat de schimmen mij inmiddels begrijpen. Ik wilde kunnen voelen. Bacchus, straf de Maenaden niet om te handelen naar mijn wens. Zij hebben enkel mijn lichaam verscheurd, terwijl mijn hart al was gebroken. Hades, je hebt me beloofd om mij met haar te herenigen als ik haar vind; als ik de warmte van haar huid kan voelen; als ik mijn wensgedachten kan bedwingen. Dankzij je beklijvende woorden is mijn lichaam weer heel. Luister Hades, ik ben teruggekeerd. De vorige keer was ik een dwaas, vol trots en misplaatst vertrouwen. Ik vluchtte. Ik werd vernietigd. Ik ben hier, gebroken en enkel geleid door je voorwaardelijke woord. Ik vrees je rijk niet langer, Hades. Ik vrees de chaos in mijn eigen hoofd, de mogelijkheid dat ik haar gezicht niet meer zal herkennen. Je beloofde haar, als ik haar kan zien te midden van deze waan. Dát is nu mijn angst: niet jouw duisternis, maar het verraderlijke licht van mijn eigen geest. De angst dat mijn verlangen zelf de weg naar haar blokkeert in die wereld die haar verloor. Persephone, enkel jij bent vaker dan ik de Styx ingegaan, maar ik heb de veerman Charon nooit ontmoet, de aarde barstte nooit onder mij open. Jij bent nooit aan flarden gescheurd, nooit meegevoerd door deze stroming. O Hades, ik zie haar overal en nergens. Wat heb ik aan je belofte als mijn eigen zintuigen me voor de gek houden? Hoe kan ik haar vinden als die vervloekte schaduwen mijn fantasie op hol doen slaan? Het is hier donkerder dan de nacht en toch zie ik haar zo duidelijk, ook al weet ik dat zij het niet is. De dolende zielen maken dit vreemde schouwspel met het schaarse licht. Ze is slechts een spinsel van mijn verlangen om haar terug te vinden. Een verlangen dat mij toekwam, en waar ik bezit van heb genomen. Het echte, oorspronkelijke verlangen schuilt daaronder als een ondergrondse rivier die langzaam opdroogt, als een herinnering die wegebt. Die erosie veroorzaakt aardverschuivingen en dat zijn de visioenen die als aardmist voor mij opdoemen. En toch voelt ze zo dichtbij op deze schimmige velden, omdat ik weet dat ze bij jou is. Visioenen horen niet toe aan degene die ze te zien krijgt. Het enige wat ik kan doen is elk sprankeltje in me opnemen, elk droombeeld registreren. Ik ben machteloos. Zelfs dit restant van mijn stem verdwijnt. Wat overblijft is een rottende hersenpan.
  Je laat mij dingen zien. Je stuurt mijn binnenstem. Ik ben aan je overgeleverd. Ik kan niet anders dan mijn visioenen zo precies mogelijk op te tekenen. Alleen zo houd ik de twijfel op afstand. Alleen zo kan ik mijn geest bedwingen. Je hebt haar gegijzeld en je houdt jezelf verborgen in de details, dus dat is waar ik haar kan vinden. Mijn hoofd tolt. Elke gedachte eindigt waar ze begon, als een wiel dat stuk is en telkens opnieuw moet worden uitgevonden. Ik zie vrouwen voor mij opdoemen. Ze komen uit het niets en verdwijnen vervolgens weer. Hoewel ik zie wat er gebeurt en ik dit ijverig blijf beschrijven, zijn hun gezichten onscherpe vlekken. Ik doe mijn best om het gezicht van Eurydice voor de geest te halen, maar ik merk dat het steeds meer moeite kost. Ik volg het stuifmeel van zwarte populieren, vage gedaanten en optrekkende damp van de Lethe en de Styx. Ariadne gaf Theseus tenminste een bol wol. Zie mij hier strompelen. Dit is niet het weerzien dat je me hebt beloofd, dit is een eeuwig afscheid. Er is een verschil. Toe, draai mij maar een rad voor de ogen. Al deze visioenen zijn als zwarte koralen die aan de rand van een rivier aan mijn voeten spoelen. Ik raap ze op, geef ze aan jou en vraag je om mijn vrouw in ruil.

Ook al branden mijn ogen 

bij dit gebrek aan licht

ik twijfel er niet aan of zij het is die onder de grond ligt. 

Alleen haar hoofd steekt uit. 

Ze probeert haar lichaam 

opwaarts te duwen

maar het lukt haar niet 

om boven de dikke laag stugge klei te komen.

Ze ligt te diep
en dat voelt als een dwangbuis.

Ze wil om hulp roepen

maar haar keel is droog. 

Haar stem klinkt verrassend dierlijk. 

Ik loop naar haar toe en probeer de klei rond haar weg te graven

maar de kleihet is zo dik dat ik mijn nagels er amper in krijg. 

Ik tast naar haar gezicht. 

Lucht

meer niet. En toch zie ik haar. 

 

Een vrouw duwt een zaaimachine voor zich uit.
Een rad met lange pinnen
doorboort de zware kluiten
en poot er zaden in. De machine blijft
steken.
Eén van de pinnen moet ergens in zijn
vastgeklemd. Ze wil de machine voortduwen
maar dat gaat niet
de kar zit vast. Ze duwt
hard tegen de handvatten
tot ze iets hoort kraken.

De pin is afgebroken.
Als ze de kar verder duwt
belanden de zaadjes op verkeerde plekken.

Ik knipper met mijn ogen en alle kleur verdwijnt.
Laat mij haar niet meer zien.
Blijf mij haar tonen.


Een vrouw zit gehurkt naast het versteende bot van een dijbeen
Het is een overblijfsel van een groot dier
Met haar handen veegt ze het gruis van het oeroude been
Een tseetseevlieg landt op haar schouder, steekt
en brengt het gif bij haar naar binnen.
De zon brandt in haar nek.
Dit is dood, denkt ze. Dood, dood, dood.
Uitgeteld legt ze zich neer tegen het bot.
Ze vleit zich ertegen, zo zacht als mos op oude steen.
Wie zou er later
als het vlees van haar botten is gesleten
het steengruis van háár dijbeen vegen?

Vrouwen voeren een gesprek
in een kring onder een dennenboom.
Er valt een dennenappel uit de boom
en één van de vrouwen schrikt en rent weg
waardoor ze de cirkel verbreekt
en het gespreksonderwerp verandert.
Ze voorspellen stormen, vulkaanuitbarstingen en aardbevingen.

Iedereen schreeuwt door
elkaar en iemand van buiten
de tuin zou er geen logica
in kunnen vinden maar zij
weten wel beter.
Hun geschreeuw verandert in het zacht geruis
van de wind die over de vlakte jaagt.
De tuin en de muur zijn verdwenen.
Geen mens is hier te zien
enkel schaduwen waarvan de oorsprong onduidelijk is. En toch
voel ik mij niet alleen. Tussen
het schijnsel en de schaduw toont mijn onrustige brein vreemde werelden
waar enkel vrouwen vertoeven.
Waarom is dat?

Hoewel ik zie wat er gebeurt en ik dit ijverig blijf beschrijven
zijn hun gezichten onscherpe vlekken.
Ik doe mijn best om het gezicht van Eurydice
voor de geest te halen
maar ik merk dat het steeds meer moeite kost.
Ik bestudeer de windingen van een slakkenhuis
op zoek naar aanwijzingen die me vertellen waar ik heen moet.
Ik volg het stuifmeel van zwarte populieren
vage gedaanten en optrekkende damp van de Lethe en de Styx.
Maar al deze visioenen zijn als zwarte koralen
die aan de rand van een rivier aan mijn voeten spoelen.
Ik raap ze op
geef ze aan jou
en vraag je om mijn vrouw in ruil. 

 

In de mist doemt een stenen
koepelvormig complex op
met een toegangspoort
hoog genoeg voor een cycloop.
Ik volg het geluid van stemmen
naar een ruimte die gevuld is met
vrouwen.
Wanneer ik haar
meen te ontwaren
kan ik niet wegkijken.
En toch is het zinloos om deze schimmen met haar
te vergelijken.

Ze komt en
gaat en haalt
mijn verstand
uit elkaar. 

Langs de gebogen
stenen muren van de ruimte
klinken uiteenlopende voorspellingen
Sommigen schudden enkel hun hoofd
en mompelen onverstaanbare klanken
anderen krommen zich ineen en jammeren met ziektes
en weer anderen slaan wild om zich heen
terwijl ze schreeuwen van lawines.
Er is de vrouw die een meteorietenregen voorspelt.
Ook zij maakt er grote gebaren bij
alsof ze de hemel in zichzelf heeft opengetrokken
en de brokstukken in haar zijn neergestort.
Een andere vrouw voorspelt het einde van de wereld.
Ze trekt alle aandacht naar zich toe
niet door lawaai
maar door een intense concentratie.
Langzaam brengt ze haar handen samen voor haar
borst, vingers ineengestrengeld
en haar lichaam krimpt bijna onmerkbaar ineen
alsof ze het hele universum in zichzelf samenbalt
tot één enkel, donker punt van pure dichtheid.
De energie is immens
maar naar binnen gekeerd.
Dan kijkt ze op en kijkt recht naar mij.
‘Orpheus’, fluistert ze. 


Hades, ik weet dat zij het is.
Ze heeft altijd een talent voor de toekomst gehad.
Daar komt mijn muziek vandaan.
Als ze wegblijft, kan je haar horen.
Herenig mij met haar! 


Maar de vrouw van de meteorietenregen duwt haar op de stenen vloer
en trekt haar aan haar tong.
Ze wil iets roepen, maar kan alleen niet-talige geluiden maken. 


Ze zijn weg.
Het oog went aan verdwijningen. 


Een vrouw met zwarte handen drinkt
uit een beker met troebele drank.
De duisternis stroomt haar aderen in.
Als ik blijf kijken, verdwijnt ze weer als mist of als herinneringen uit een droom.
Nee, dit kunnen geen dromen zijn
want het leven is droom en dit is de wereld van de dood.
Hier gelden andere wetten.
Mijn brein vult de leegte in met visioenen.

En in elk visioen houdt zich
een ander visioen schuil. 

 

Lang loop ik door de onmetelijk lege velden. Mijn ogen
raken stilaan weer gewend
aan het bedrieglijke landschap dat ik inmiddels goed ken.
Op dit wrede land groeien enkel
de bleke affodillen
met onderaan hun grasachtige bladeren
en aan de top hun losse trossen
van eenvoudige witte bloemen.
Pootjes tikken op mijn arm, licht als as
maar wanneer ik kijk is er niets te zien.

Een zacht, goudachtig licht
flakkert aan de horizon
waardoor de lucht lijkt te trillen.
Dit is geen nacht, want er is geen maan.
Dit is geen dag, want er is geen zon.
En toch is het donker
en toch schitteren de velden.
Daar, die vrouw met haar handploeg.
Ze houdt even halt en strekt haar vingers.
Het lederen handvat maakte striemen in haar palm.

Ze steekt haar hand in het aardvlees
en laat de felgekleurde vlokken
door haar handen glijden.
Hier kan iets groeien.

Misschien is dit
de dood die in mij begraven ligt
en zo nu en dan naar buiten sijpelt. De dood
als het gekras van een stilus
om de hardheid van de was te testen.

 

7 – Bijenwas

 

Hier stokt de stem van het ‘ik’, niet langer bij machte de chaos te ordenen tot een verhaal. Orpheus is blind geworden door zo lang naar de schaduwen te staren. Alles wat hij hoort, voelt en ruikt, vertrouwt hij toe aan de wereld van visioenen. Zijn geest, want dat is wat er van hem over is, staat voor de poort van het paleis van Hades, aan de rand van de affodilvelden, maar voor hem is dit een voortzetting van zijn waanbeelden, wat weer een voortzetting is van zijn leven bovengronds, waar hij altijd al meer leefde in de klanken en ritmes die hij zelf schiep dan in de stomme, zichtbare werkelijkheid; die hij ook al voortdurend omvormde tot mythe en lyriek; waar hij kortom de wereld kneedde en begreep doorheen de filter van zijn muziek en zijn verhalen. 

  De immense poortvleugel glijdt open. In de opening staat Eurydice. Ze staat fier tegenover hem, gehuld in een diep olijfgroene peplos die het spaarzame licht opvangt, haar hand rustend op de poortrand. Een spoortje van bijenwas bereikt zijn neus. Ze ziet zijn verzwakte gestalte, zijn witgedraaide ogen blinken als maanstenen in zijn gezicht. 


‘Orpheus?’ 

  Hij hoort haar amper, want zijn geest filtert haar stem. Hades hoort het wel en sjokt op zijn stevige, donker-lederen sandalen naar de poort. 

  ‘Orpheus?’ bromt hij. Hij toont een teken van leven, recht zijn rug en richt zijn hoofd naar de herkomst van het geluid. 

  ‘Luister’, brult Hades. Orpheus valt spontaan op zijn knieën. ‘De mist heeft je woorden ver gedragen. Je muziek was te horen tot in de tuinen van ons paleis. Het was weer eens wat anders dan het eeuwige geklaag van Theseus.’

  Hij knikt. Zijn knieën drukken zo hard tegen de stenen vloer dat ze pijn doen. Om de pijn te verlichten, buigt hij verder voorover totdat hij plat op de vloer komt te liggen, als een aangespoelde rat voor hun voeten. Als dit een visioen is, denkt hij, zal ik er later muziek van maken. Als dit er geen is – godbetert – dan ook. Het is zijn laatste gedachte.  

 

Een zweem van donkere aarde en verse bloemen komt hem tegemoet. De godin van het dodenrijk is op het geroep van Hades afgekomen. Als ze onze held ziet liggen, begrijpt ze wat er is gebeurd. Ze zakt op haar knieën. Haar diep paarse, gelaagde jurk met bleekgroen en gouden borduurwerk spreidt uit over de vloer als een nachtelijk meer waar de sterren in fonkelen. Hangend aan de ketting om haar nek zwaait zachtjes een lichtgroene serpentijnsteen voor zijn gezicht. Ze aait hem over zijn hoofd. Peinzend kijkt ze naar de manier waarop zijn hoofd draait naar geluiden die er niet zijn. Een lichte zucht ontsnapt haar lippen.
  ‘De geest kan een eigen onderwereld bouwen,’ zegt ze zacht tegen Hades, ‘een labyrint zonder uitgang. Kijk naar hem. Hij is hier, maar hij dwaalt nog steeds.’ 

  ‘Ja ja, het is al goed’, mompelt Hades. ‘Dat godenkind gedraagt zich alsof hij door de Tartarus heeft gezworven. Zelfs de Danaïden waren er beter aan toe. Vrouw, geef hem te eten. Orpheus, blijf hier om je muziek te spelen.’ 

  Haar aanraking voelt zacht, maar haar goddelijke wijsheid drijft langs hem heen als flarden zonder samenhang.
  Eurydice treedt uit de schaduw van de poort. ‘Ik vraag me af of dat ware genade is’, zegt ze. ‘Hij kwam hierheen, gedreven door een herinnering. Maar zoals u ziet, zijn geest is gebroken, zijn ogen zien slechts fantomen waarin hij mij meent te herkennen. Hem hier houden, dicht bij mij maar onbereikbaar voor zijn waan, zal zijn kwelling enkel verlengen.’ Ze pauzeert, kijkt beide heersers aan. ‘Misschien… misschien ligt er meer vrede voor hem, en eerlijk gezegd, ook voor mij, als hij de volledige vergetelheid van de Lethe mag proeven? Laat hem rusten, bevrijd van de herinneringen die hem vernietigen.’
  ‘Nee, ik wil zijn muziek blijven horen’, werpt Hades tegen. ‘Hij heeft zijn eigen Tartarus gecreëerd en dat inspireert mij. Hij zocht jou, nimf.’ Een wrede glimlach trekt aan zijn mondhoek. ‘Dus hij zal bij jou zijn. Niet de Lethe, niet de gastenvertrekken. Breng hem naar jouw deel van het rijk. Zie op hem toe.’
  Persephone hapt hoorbaar naar adem.
  ‘Goed dan’, zegt Eurydice kil en beheerst. Geen protest. Geen smeekbede. ‘Breng hem mee met mij naar de echotuin’, beveelt ze haar dienaren. Ze wandelt over een kronkelend pad van zwart basalt, beschut door gesnoeide cipressen en bomen waaraan geen bladeren groeien, maar scherpe stenen. De affodilbloemen zijn hier niet te bekennen. Tussen het bleke, stekelige mos groeien grote zwarte varens. Ze hoeft niet om te kijken om te weten dat de schimmen zijn lichaam in stilte achter haar dragen. Het pad mondt uit in een ommuurde plek met hoge zuilen van zwart marmer zonder dak. In de muur zijn her en der beeldloze nissen met ondiepe bassins waar donker water het weinige licht in reflecteert. Elk geluid wordt scherp en onvergeeflijk teruggekaatst door de harde oppervlakken. Echo’s zijn hier niet vaag, maar helder, talrijk en verwrongen. 

  Met scherpe blik observeert ze Hades. Ze voelt zijn ogen op haar rusten. 

  ‘Je zag mij in dubieuze gedaanten en niet eens in het Elysium, maar op het veld van middelmatige zielen. Natuurlijk was ik het niet’, zegt ze. Haar stem kaatst tegen de muren, zuilen en nissen van de tuin. Eurydice verwacht geen zinnig antwoord, hooguit een flard uit zijn waanwereld, een echo van de stemmen die alleen hij hoort.

Maar dan draait Orpheus zijn hoofd traag haar kant op.
Zijn lege ogen lijken haar voor een vluchtig, pijnlijk moment werkelijk te zien.
De gebruikelijke waas van verwarring lijkt even op te trekken, als mistflarden die kort wijken voor een waterige zon.
Zijn stem is schor, onvast, maar draagt een onmiskenbaar, schrijnend overblijfsel van de man die hij was.
‘Eurydice’, zegt hij, maar dan blijft hij stil.
Ze kijkt hem aan en beseft dat ze dit moment kan gebruiken om tegen hem te spreken
en ze zegt: ‘Ik wil je niet belasten met mijn giftige lot dat smaakt als de rituele wijn van Dionysos, waar ik van walg en tegelijk van hou.’ 
Ze opent een klein stenen potje waar een rokerige geur uit komt.
Ze roert erin met haar pink, en brengt een donkere, glanzende substantie naar zijn lippen.
Het is balsem.
Instinctief slikt hij de zoete pasta door.
Even lijkt de grens tussen waan en realiteit verdwenen, maar dan is het moment voorbij.
De waas in zijn ogen wordt dieper en hij wendt zijn hoofd weer af, glijdt langs haar heen alsof ze lucht is, en hij begint zacht te neuriën.
De klanken ontsnappen niet aan de echo’s.

Ze merkt dat zijn visioenen vluchtig zijn. Soms lijken ze te reageren op haar aanwezigheid, soms op de schaduwen van andere verloren zielen die er ronddwalen. Soms denkt ze nog aan de Lethe, maar hem uitwissen zou misschien ook een deel van haarzelf uitwissen. Ze houdt hem in de tuin en terwijl ze hem gadeslaat, schrijft ze haar eigen, nieuwe mythe over
het einde 

van het eeuwige
onvoorspelbare
experiment van Hades. 

© Tim Thomaes, 2023